De meest bizarre Tour aller tijden

by Déjà Vu

De Tour de France is weer begonnen en zoals elk jaar biedt het oplopen van de Tourkoorts voor velen de gelegenheid om de geloofwaardigheid van het wielrennen nog eens in twijfel te trekken. Deze cynici speculeren vrolijk over het aantal positieve plasjes dat deze Tour zal opleveren en maken schattingen van de omvang van de omkoopschandalen die de nodige urine- en bloedstalen achter de schermen in rook zullen laten opgaan. 

Marit de Roij

Hoe scandaleus deze Tour uiteindelijk ook zal blijken, zo erg als de editie van 1904 zal hij nooit worden. Het peloton werd tijdens die Tour namelijk opgeschrikt door aanvallen van bloeddorstige menigten en gemaskerde mannen, schietpartijen, allerhande diskwalificaties en opgaves van renners die een overdosis doping hadden genomen. En dan beperk ik me nog tot de eerste twee etappes. “Als ik vóór Parijs niet word vermoord, ga ik de Tour winnen,” riep titelverdediger Maurice Garin na de eerste etappe.

In 1903 had Henri Desgrange, eigenaar van het Franse fietstijdschrift L’Auto, de Tour de France voor het eerst georganiseerd als publiciteitsstunt voor zijn noodlijdende blad. Het was direct een groot succes. De beslissing om de Tour het jaar daarop nog een keer te organiseren was dan ook snel gemaakt. De tweede Tour de France begon echter al een stuk grimmiger dan de eerste editie. Tijdens de openingsetappe werden er twee renners gediskwalificeerd omdat ze delen van het parcours in de auto dan wel achterop een motor hadden afgelegd. Twee andere renners kregen een boete omdat ze hulp hadden gekregen van fietsers die niet meededen aan de wedstrijd. De kopgroep van twee, bestaande uit titelverdediger Garin en zijn grootste concurrent Lucien Pothier, werd aan het eind van de rit aangevallen door een groep gemaskerde mannen in een auto, maar wist toch voorop te blijven. Beide koplopers waren ervan overtuigd dat de mannen betaald werden door hun tegenstanders. Na de etappe klaagde een van de andere favorieten dat collega-renners constant tegen hem aan reden om hem ten val te brengen. Toen ‘s avonds ook nog eens bleek dat Garin tegen de regels in eten had gekregen van de wedstrijdleiding, besloten de vroegtwintigste-eeuwse wielerhooligans dat het tijd was voor actie.

De tweede etappe ging over de Col du Grand Bois bij Saint-Étienne. De regionale held Antoine Fauré reed aan de leiding. Toen het peloton arriveerde, sleurden enkele honderden boze fans de renners van hun fietsen en gingen hen met knuppels te lijf, terwijl ze “Weg met Garin! Leve Fauré! Dood aan alle anderen!” riepen. De volgauto met de wedstrijdleiding was snel ter plaatse. De koersdirecteur schoot in blinde paniek met zijn startpistool over de menigte heen, die uiteen week. Het peloton kon zijn weg vervolgen. Het mag een wonder heten dat er op de Col du Grand Bois geen doden zijn gevallen. Slechts één renner was zo hard geslagen dat hij niet meer op zijn fiets kon klimmen. Maurice Garin hield enkel een geblesseerde arm aan de vechtpartij over.

De dag daarna was het de bedoeling dat de renners door Nîmes zouden rijden. Helaas was een renner afkomstig uit Nîmes eerder uit de Tour gezet wegens het vasthouden aan een motor en hadden leden van de plaatselijke motorclub besloten het daar niet mee eens te zijn. Ze bestrooiden de straten van Nîmes met spijkers en glasscherven en wachtten af. Toen de renners door de stad reden, moesten velen afstappen met een lekke band. De renners die niet lek reden, werden met stenen bekogeld en zo tot stilstand gebracht. De motormuizen stortten zich even bloeddorstig als de fans van Fauré op de renners. Met behulp van het startpistool en de lokale politie kon uiteindelijk een doorgang worden geforceerd. De schade: zo’n twintig lekke banden, één in stukken gebroken fiets en een aantal gewonde renners.

De vele incidenten deden wonderen voor de oplage van L’Auto. Ook de belangstelling van de internationale media werd gewekt. De keerzijde van dit succes was dat de wedstrijdleiding de volgende etappes met geladen pistolen in de volgauto’s plaatsnam en er grote aantallen politieagenten op de been waren. Enkele renners begonnen zichzelf te bewapenen om zich te kunnen verdedigen. Tourorganisator Desgrange vroeg zich af waar hij in godsnaam aan was begonnen. Zijn evenement dreigde ten onder te gaan aan de eigen populariteit.

De laatste drie etappes verliepen relatief rustig. Er werden stenen naar de renners gegooid en spijkers op de wegen gestrooid, maar Napoleontische veldslagen op het parcours bleven uit. De renners maakten gebruik van eigentijdse doping die bestond uit een mix van cafeïnepillen en cocaïne en niet altijd het gewenste resultaat had – minstens één renner moest opgeven door hartkloppingen. Een paar renners werden ervan beschuldigd delen van de route per trein afgelegd te hebben. In Parijs kwam Maurice Garin voor de tweede keer als eindwinnaar over de streep. Dacht hij.

Vier maanden na de Tour schrapte de Franse wielerbond 12 van de 27 gefinishte renners uit de uitslag, waaronder de gehele top vier in het algemeen klassement en alle etappewinnaars. 17 andere renners die Parijs niet gehaald hadden kregen ook schorsingen variërend van één jaar tot levenslang. De pas twintigjarige Henri Cornet die vijfde was geworden werd uitgeroepen tot winnaar. Maurice Garin kreeg een startverbod van twee jaar. De precieze redenen van de diskwalificaties zijn nooit duidelijk geworden. De Franse wielerbond baseerde zich op getuigenissen van mensen die renners de trein, auto of motor hadden zien nemen. Deze verklaringen lagen samen met het rapport van de wielerbond jarenlang achter slot en grendel. Toen de Duitsers Frankrijk in 1940 binnenvielen, werden de documenten naar een veilige plek gebracht, waarna ze spoorloos zijn verdwenen. Garin heeft tot zijn dood in 1957 volgehouden dat hij onschuldig was.

Touroprichter Henri Desgrange gaf eind 1904 in L’Auto zijn commentaar: “Ons wacht de grote, morele verplichting om de wielersport weer op orde te brengen. En dat kan alleen de Tour de France.”

You may also like

Leave a Comment