De piraat en de zeemeermin: de legende van El-Minar

by Déjà Vu

Merle van Lier

Terwijl Dennis Ciara afwisselt en ik voor de zoveelste keer van mijn fiets word geblazen, dwalen mijn gedachten af naar verre kusten. Naar uitgestrekte stranden waar oceaan en land elkaar ontmoeten en waar de wind het zoute water opstuwt zodat het met schuimend witte koppen stukslaat op de rotsen. Vele jaren geleden stond op een van deze kusten, precies daar waar Afrika en Europa elkaar bijna kunnen aanraken, een witte toren. Op het verste puntje van een met rotsen bezaaide landtong, keek deze toren de hele dag lang uit over de oceaan boven wie ze zo fier uittorende. ’s Avonds werd de toren zacht in slaap gesust door het wiegelied van de wind op de golven. 

Het was een oude toren, met muren overtrokken door klimop en groene ranken. Tussen haar stenen scholen kleine zwarte schorpioenen en tegen het vallen van de avond verzamelden zich kwade geesten zich tussen de omliggende rotsen, loerend naar de zee. Over wie de toren had gebouwd, deden veel verhalen zich de ronde. Mythes en legendes over geweldige legers en grootse zeeslagen, maar het échte verhaal is dat van Lass el-Behar, een beruchte piraat die zijn geroofde schatten tussen de stenen van de toren verstopte.

Lass el-Behar kwam uit Rabat en was de beste navigator die de wereldzeeën ooit hebben gekend. Hij was lang en tenger, zo licht als een zwaluw en zijn naam bezorgde menig zeevaarder kippenvel. Spanjaarden en Italianen vreesden zijn naam en wie zijn schip aan de horizon zag verschijnen, wist dat het te laat was. Ook dit schip boezemde angst in bij ieder die het aanschouwde en werd misschien nog wel meer gevreesd dan zijn kapitein door de meedogenloze bemanning die meevoer en de ontelbare kanonnen die het met zich mee droeg. 

Lass el-Behar was jong, knap en dapper en elke vrouw die hem zag was op slag verliefd. Maar hij wilde niets van hun liefde weten want zijn schip betekende meer voor hem dan welke vrouwelijke schoonheid dan ook. Hij hield van zijn schip, het kameraadschap van zijn trouwe matrozen en glorieuze zeeslagen. Maar boven dit alles was het de zee waar hij zielsveel van hield. Hij hield zoveel van haar, dat hij geen dag van haar verwijderd kon zijn en over haar sprak als een jonge minnaar over zijn nieuwe liefde. Zijn scheepsmannen betrapten hem er dan ook dikwijls op dat hij zijn blik richting de zee en haar glinsterende golven wende tijdens het bidden.

Op een dag besloten el-Behars zeelieden het binnenland in te trekken, op zoek naar een avontuur, maar hun kapitein weigerde mee te gaan. ‘Ga als je moet,’ sprak hij hen toe. ‘Ik blijf hier rusten.’ De mannen lieten zich dit geen tweede keer zeggen. Na weken op de eindeloze zee rondgezworven te hebben waren ze verrukt weer vaste grond onder hun benen te hebben. 

El-Behar klom over de landtong en sloot zichzelf op in zijn toren om te mediteren. Met zijn blik naar de zee gericht staarde hij naar de schepen die voorbijdreven. De milde zeebries die waaide, liet de golven dansen in het warme zomerlicht en el-Behar ademde de zilte zeelucht diep in. “Niets, geen enkel avontuur kan deze pracht ooit evenaren,” verzuchtte hij in zichzelf, “Welk gebed, hoe perfect dan ook, kan ooit zo mooi zijn als het zachte gemurmel van het kabbelende water? Oh, waren de golven maar een vrouw van vlees en bloed zodat ik haar kon trouwen en was de oceaan maar een moskee waar ik in kan bidden.”

De woorden hadden zijn lippen nog niet verlaten of er stak een wind op in het westen. De wolken pakten samen en verzamelden zich zo dicht op elkaar dat de lucht een grauwig zwart werd. De storm raasde over de grasvlakten en de bergen. Meeuwen kraaiden in angst en vlogen zo snel weg als hun vleugels hen dragen konden; kuddes schapen renden in blinde paniek naar hun schuren. De storm bereikte de toren en brulde en rukte aan de witte muren. Zeven dagen en zeven nachten lang rukte de wind aan de toren, maar el-Behar vreesde geen moment. 

Toen de wind afnam en rustig werd en de zee niet langer loeide, kwam Lass el-Behar tevoorschijn uit zijn toren. Met zijn ogen knipperde hij tegen het felle zonlicht. Opgelucht zag hij dat al zijn schatten en goud nog veilig in de nissen van zijn toren verscholen lagen. Met zekere passen klauterde hij de rotsen af naar de dunne strook strand die de rotsen omcirkelde en liep de branding af, op zoek naar wat het tij voor hem had aangespoeld. Veel meer dan drijfhout en losgeslagen kluwen zeewier was er deze keer voor de zeeman niet te halen. 

Hij stond alweer bij de voet van zijn toren en begon zich af te vragen waar zijn mannen zouden zijn, toen hij zijn blik nog één laatste maal over het strand liet glijden. Ineens zag hij in de verte wat liggen, helemaal op het verste puntje van de landtong. Voor hij wist wat hem overkwam, droegen zijn benen hem er naartoe, alsof hij door een mysterieuze kracht voort werd getrokken. Zijn ogen waren gefixeerd op de figuur daar op het strand en de golven fluisterden hem bemoedigend toe. Hij hield zijn adem in. Toen hij eindelijk dichtbij genoeg was om te zien wat de oceaan voor hem had achtergelaten, kon hij zijn ogen niet geloven…

You may also like

Leave a Comment