Een twijfelachtig eerbetoon

by Déjà Vu

calhoun

Willem Groeneweg

Recentelijk heeft de rechtenfaculteit van Harvard haar embleem aangepast. De drie balen graan, overgenomen uit het wapen van de financier Isaac Royall uit de achttiende eeuw, moesten het veld ruimen. De heer Royall was namelijk een berucht slavenhouder die voor zijn komst naar de VS op brute wijze een slavenopstand in Antigua had neergeslagen. Na protest van studenten stelde de rechtenfaculteit vast dat Royall’s wapen niet meer overeenkomt met de principes die de faculteit wil uitdragen. Harvard is niet de enige universiteit waar historische figuren onder vuur komen te liggen. Op Princeton wordt actie gevoerd tegen de naam van klan-liefhebber Woodrow Wilson, op UMass tegen indianenhater Jeffrey Amherst en op Yale tegen John C. Calhoun. Vooral Calhoun, die op Yale een wooncomplex naar zich vernoemd heeft gekregen, is een controversieel figuur. Waar de controverses van Wilson en Amherst nog worden overschaduwd door hun andere prestaties, definieerde Calhoun’s controversïele trekje, de onvermoeibare inzet voor het behoud van slavernij, zijn hele carrière.

John C. Calhoun was de belangrijkste politicus die Yale in de eerste twee eeuwen van haar bestaan voortbracht. Hij diende achtereenvolgens acht jaar als secretary of war, zeven jaar als vicepresident en een jaartje als secretary of state. Op de senaatvloer stak hij in welbespraaktheid en passie ver boven het merendeel zijn collega’s uit. Samen met Daniel Webster en Henry Clay maakte hij deel uit van het grote triumviraat van de 19de eeuw, drie senatoren die het politiek landschap sterk vormgaven, maar nooit het hoogste ambt mochten bekleden.

Voor Calhoun was slavernij geen ‘onontbeerbaar kwaad’, maar juist het beste wat Amerika kon overkomen. Hij walgde van de armoede die zijn blanke medemensen trof in het industriële en slavenvrije New England. Het zuiden met haar plantage-economie had het beter voor elkaar. Hier kregen slaven tenslotte een goede behandeling van hun meesters en werd hun intellectuele en morele ontwikkeling gestimuleerd. Slavernij zorgde, volgens Calhoun, net zo goed voor de morele verheffing van de blanke man als van de zwarte man. De blanke die in een slavenmaatschappij leeft, ontleent een intrinsiek eer- en verantwoordelijkheidsgevoel aan zijn slavenbezit en zal daarom geen zelfgericht winstbelang najagen, hetzelfde onnatuurlijk winstbejag dat de vrijheid van de blanke man in het gedrang brengt, getuige de vele berooide noorderlingen. De paradoxale conclusie die hieruit kon worden getrokken, was dat vrijheid zonder slavernij niet kon bestaan. “Velen in het zuiden”, zei Calhoun in 1838, “geloofden ooit dat slavernij moreel en politiek onjuist was: deze waan en dwaasheid zijn verdwenen; we aanschouwen slavernij nu in haar ware aard, en aanschouwen haar als meest veilige en stabiele basis voor vrije instituties ter wereld!”

Van John C. Calhoun is het moeilijk te stellen dat het individu los van de ideologie kan worden geëerd. Sommigen, zoals burgeroorlogshistoricus David Blight, menen dat de naam in Yale toch behouden moet blijven zodat de studenten het Amerikaans verleden onder ogen leren zien. Enkele directieleden van Harvards rechtenfaculteit bedienden zich van datzelfde argument tegen de verwijdering van het wapen van Royall. Lastig hierbij blijft toch dat het de naamgeving van een publiek gebouw over het algemeen wordt opgevat als eerbetoon en het voor velen, zeker voor zwarte studenten, wrang is wanneer een man als Calhoun publiekelijk op de campus wordt geëerd. Het voorstel om de hal om te dopen naar voormalig Calhoun-bewoner Roosevelt Thompson, een briljante zwarte student die vlak voor zijn graduatie verongelukte, lijkt me dan ook een goed idee. Om de herinnering aan het verleden te waarborgen kan Calhoun het best ergens een bescheiden plakketje krijgen, waar in duidelijke en feitelijke bewoordingen wordt uitgelegd wie de man was, waar hij voor stond en waarom het tijd werd dat zijn naam van de gevel verdween.

You may also like

Leave a Comment