Het geluk van een gebrek

by Déjà Vu

David van Benthem

Heb je dat ook wel eens? Je staat je tanden te poetsen, hebt al twee keer de achterkant van de tandpastatube doorgenomen en vervolgens ga je maar een beetje in het rond zitten te filosoferen. Op een donderdagavond gebeurde mij dat in ieder geval. Toen vroeg ik me af wat de nieuwe generatie eigenlijk definieert. Deze nieuwe generatie begint immers ook volwassen te worden en haar oudsten zijn nu eerstejaars in de collegebanken. Op het eerste gezicht leek me hun definitie niet zo fraai. Ze worden immers volwassen in een wereld, die minder zorgeloos is dan de jaren negentig. Daarnaast demonstreren ze op klimaat na, nauwelijks nog voor hun idealen en maken ze trends door die vooral terugblikken op dat wat geweest is. Klinkt eigenlijk te negatief denk ik zo, want zo erg hebben we het nu toch ook niet?

Om te beginnen is het misschien handig om te kijken hoe de jeugd van nu opgroeit. Dat doet ze in overwegend goede omstandigheden. Het Nederlandse basisonderwijs is van topkwaliteit en haar ouders hebben het vaak beter gehad dan haar opa’s en oma’s. Dat betekent dat papa en mama meer kunnen bieden en daardoor vaak ook meer willen bieden. Ideaal toch? Veel van deze ouders worden daarom ‘curlingouders’ genoemd, ouders die het hun kinderen zo makkelijk mogelijk willen maken. Zelfs in het tv-programma Luizenmoeder kwam de term terloops voorbij. Wat de keerzijde hiervan echter is, is dat je nooit weet hoe het is om van een val op te staan als je altijd wordt opgevangen. Je kent ze misschien zelf wel, vrienden en vriendinnen die na de middelbare school tussenjaren hebben genomen, weinig van hun studie maken en toch nog breed door hun ouders gesteund worden. Die groep is natuurlijk een minderheid, maar dat het gebeurt, is typerend voor de nieuwe generatie. Betrekkelijk zorgeloos dus, maar daardoor ook minder zelfredzaam. 

Gelukkig zoeken ze die zelfredzaamheid op. Paradoxaal als het voelt om dit aan een doelgroep van met name geschiedenisstudenten te schrijven, kiest meer dan 80 procent van de nieuwe generatie voor een baan die hen zekerheid biedt. Geen wonder dat veel middelbare schoolgenoten een bètastudie zijn gaan doen of naar het Erasmus zijn gegaan. Mensen die van studie veranderd zijn en nu bij geesteswetenschappen zitten, vertellen bovendien vaak dat ze voorheen rechten of zelfs een bètastudie studeerden. 

Misschien is het ook te streng om te verwachten dat de jeugd van tegenwoordig eigenzinnig is. Als je speculeert over hoe de eenentwintigste eeuw tot nu in de geschiedenisboeken verteld zal worden, zal dat kort door de bocht samen te vatten zijn in de opkomst van het internet, globalisering, het willen aanpakken van klimaatverandering en een te overziene opkomst van populisme. Als je dat vergelijkt met de periode waarin de babyboomers opgroeiden, gebeurt er eigenlijk niet heel veel op sociaal, economisch en politiek gebied. Feministen hebben immers nog genoeg om voor te strijden, maar de grootste vooruitgang van vrouwenemancipatie heeft waarschijnlijk al in de jaren ‘60 en ‘70 plaatsgevonden. Grote economische veranderingen, die het consumentengedrag in korte tijd snel opschudden, zijn er ook niet. Tenslotte hebben we tegenwoordig geen duidelijke gemeenschappelijke vijand van formaat zoals de Sovjet-Unie dat vroeger wel was. Er is daarbij geen directe oorlogsdreiging en lijkt de EU gewoon te blijven bestaan zoals we haar kennen. 

Dat er relatief weinig verandert, is misschien ook wel iets goeds. Als er weinig te verbeteren valt, heeft een nieuwe identiteit ook minder noodzaak. Terugkijken voor inspiratie gaat vandaag de dag makkelijker en het spreekt voor zich dat de babyboomers dat liever niet deden. Bij die gedachte is het prettig om je erbij neer te leggen dat de nieuwe generatie een minder duidelijke identiteit heeft. Met dat idee, pak ik het doosje wax, waar ik tandenpoetsend en al, met gerust hart weer de onderkant van kan gaan bestuderen. 

You may also like