Per aspera ad astra (Door moeilijkheden naar de sterren)

by Déjà Vu

Het rieten dak was niet bestand tegen de regen, concludeerde hij de tweede ochtend van zijn verblijf aan de kust. Zijn ragfijne tunica’l lagen in een ondiepe modderpoel en de papyri waren doorweekt. Door de kieren in het dak scheen de zon sadistisch de vissershut binnen. Zwijgend zaten hij en de oude man die middag naast elkaar. De man, hij moest een jaar of zeventig zijn, keek hoe de vangst van gister droogde, terwijl Julius speelde met zijn ringen en wachtte totdat zijn kostbare kleding droog was. Toen de zon de zee raakte zei de oude visser: ‘Het zeewater zul je blijven ruiken.’ Julius glimlachte en antwoordde: ‘Hoezo? Volgens mij is het regenwater.’ Er verscheen een grijns op het gezicht van de oude man. ‘Niet alleen. Je zou eens moeten weten hoe hoog de golven hier soms komen. In Rome ben je niks gewend: daar word je alleen nat van de regen. En wanneer je dronken in de Tiber valt. Tot morgen.’ De dagen die op hun eerste ontmoeting volgden waren saai en grijs. Het regende niet meer, maar daar was vervolgens ook alles mee gezegd. Soms ging de oude visser eropuit in een klein, krakkemikkig bootje. Na een nacht op zee maakte hij dan Julius wakker om hem de vangst te laten zien. Heel vaak had dit niet zoveel om het lijf, maar zo nu en dan kwam hij met overvolle netten thuis. Langzaam groeide er een vreemde vriendschap tussen de rijke, jonge patriciër en de arme, oude visserman. Twee manen na zijn aankomst vroeg de visser waarom Julius eigenlijk naar het gehucht aan de kust gekomen was. Julius zuchtte diep. ‘Niet vrijwillig, in ieder geval…’ Een lange stilte volgde. ‘Ik ben door mijn vader en oom weggestuurd uit Rome, om me hier aan de filosofie te wijden. Zo kan ik magistraat worden, want volgens mijn oudere familiegenoten ben ik daar nog niet klaar voor.’ De visser knikte, en wilde verder gaan met het herstellen van een net, maar Julius vervolgde: ‘Dus nu zit ik hier, tussen de stinkende vis, terwijl mijn familie in alle luxe in Rome woont.’ Julius kneep zijn knokkels wit terwijl hij tekeerging tegen zijn familie, Rome en het lot. Plotseling hield hij op. In de verte, bijna niet te horen door het gebrul van de zee, klonk hoefgetrappel. Julius sprong op, en rende naar het pad vanwaar nu ook gehinnik te horen was. Eenmaal daar aangekomen zag hij een vermoeide soldaat tegen een rots leunen, terwijl even verderop een schuimbekkend zwart paard stond. Toen de soldaat Julius zag overhandigde hij hem een stuk perkament, verzegeld met het zegel van de praetor, Julius’ vader. Hij scheurde het open, zijn ogen vlogen over de brief, in de hoop iets te vinden wat kon duiden op zijn terugkeer. Niets wees daar op, maar zijn adem stokte in zijn keel toen hij de laatste regels las: ‘Hannibal is de Alpen overgestoken.’

Abel Vlaanderen 

You may also like

Leave a Comment