Tussen politieke theorie en praktijk

by Vice-Praeses

Het is inmiddels alweer bijna een maand geleden dat Willem-Alexander als koning der Nederlanden werd ingehuldigd. In zijn inhuldigingstoespraak verwees de kersverse koning naar het Plakkaat van Verlatinge, als ‘de geboorteacte van wat later Nederland is geworden’. Hoewel het interessant is dat de koning met deze verwijzing te kennen geeft dat hij zich aan de constitutie gebonden weet en hiermee zijn dienstbaarheid aan het volk onderstreept, is het de vraag of het Plakkaat van Verlatinge werkelijk het geboortecertificaat is van wat uit zou groeien tot het huidige Nederland.

Werd er met het Plakkaat van Verlatinge daadwerkelijk een nieuwe constitutionele orde geschapen in de Nederlanden? Om deze vraag te kunnen beantwoorden is het van belang te achterhalen hoe vernieuwend de theorie was waarop het Plakkaat van Verlatinge is gefundeerd, en in hoeverre deze theorie heeft bijgedragen aan het creëren van een nieuwe staatsrechtelijke situatie.

Het idee dat het handelen van de vorst wordt begrensd door het algemeen belang van het volk, zoals in het Plakkaat van Verlatinge tot uitdrukking komt, is in wezen zeer oud. Al in de klassieke oudheid stelde Aristoteles dat politieke autoriteit in essentie gelegen was in het voeden en beschermen van het welzijn van de gemeenschap. Een belangrijke middeleeuwse denker die in grote mate beïnvloed werd door de ideeën van Aristoteles was Thomas van Aquino. Hij was het die stelde dat een vorst slechts mocht regeren met wetten die overeenstemden met het natuurrecht en waren afgekondigd met het oog op het welzijn van de gemeenschap. Een van de meest originele politiektheoretische verhandelingen uit de Middeleeuwen, de Defensor Pacis van Marsilius van Padua, ging echter nog een stap verder. Marsilius stelde dat de basis van alle autoriteit in de wereld werd ontleend aan de stemgerechtigde burgers.

Al met al kan gesteld worden dat het Plakkaat van Verlatinge inmiddels aanvaarde denkbeelden weerspiegelde. Het is echter interessant om na te gaan of deze algemeen aanvaarde theorieën al vóór het Plakkaat van Verlatinge hun neerslag vonden in de politieke praktijk. Al in 1127 stonden de vertegenwoordigers van de adel en de grote steden in Vlaanderen op herstel van alle privileges die geschonden waren door Willem van Normandië, de graaf die door de koning van Frankrijk als leenheer aan hen was opgedrongen. De vertegenwoordigers stelden voor de beoordeling van de geschillen op te dragen aan een speciale rechtbank.

Indien die tot het besluit zou komen dat de graaf de rechten van zijn onderdanen had geschonden en bleef weigeren die schendingen ongedaan te maken, zouden ze de graaf als contractbreker afzetten en een meer geschikte kandidaat zoeken. De voorgestelde vergadering zou echter nooit plaatsvinden omdat de graaf naar oeroude ridderlijke traditie ten strijde trok en in het harnas stierf. Het principe dat de huldigingseed een vorst bond aan de overeengekomen rechtsverhoudingen, en dat hij volgens feodaal recht bij schending de trouw van zijn vazallen en onderdanen verloor en daardoor ook zijn ambt, werd hier echter voor het eerst zo duidelijk geformuleerd. De Verlatinge van Filips II van Spanje in 1581 vormen in deze zin dan ook slechts een toepassing van dit principe.

Dat het Plakkaat van Verlatinge in wezen gestoeld was op een hechte traditionele uit de middeleeuwen stammende basis, doet nog niets af aan het feit dat de interpretatie van dit Plakkaat onder historici nog altijd ter discussie staat. Getuigt het plakkaat van een constituerend document, of slechts van een legitimering van een bestaande politieke situatie?
Onder meer Mout, Van der Grinten en eerdere auteurs als Pieter Paulus vormen aanhangers van een legitimerende interpretatie van het Plakkaat van Verlatinge. Zo wijst Van der Grinten op het verdrag van Plessis-lez Tours als effectieve afzwering van Filips II. Met dit verdrag dat op 29 september 1580 getekend werd, wezen de Nederlanden Anjou aan als hun soeverein. Jacobs is echter van mening dat met het Plakkaat van Verlatinge wel degelijk een nieuwe juridische situatie gecreëerd werd. Hiermee sluit zij aan bij auteurs als Smit, Sneller en Coopmans. Zowel Coopmans als Jacobs beroepen zich bij hun stellingname op de wijze waarop Cornelis van Bijnkershoek het Plakkaat van Verlatinge uitlegt.

Cornelis van Bijnkershoek, een 17e eeuwse advocaat, was er heilig van overtuigd dat het Plakkaat van Verlatinge constituerend van karakter was. Jacobs stelt dat de organisatie van de Nederlanden gehuld werd in een wolk van onzekerheid, zolang Filips II niet officieel verlaten was. Volgens Jacobs wist het Plakkaat van Verlatinge effectief een einde te maken aan alle onzekerheid, door zowel de constitutionele als de internationale rechtspositie van de Nederlanden te verduidelijken. Dat het Plakkaat van Verlatinge echter in het geheel geen duidelijkheid schiep waar het de constitutionele en internationale rechtspositie van de Nederlanden betrof, wordt duidelijk uit de bijdragen van Groenveld en Geevers aan de bundel The Act of Abjuration; inspired and inspirational.

Na de afkondiging van het plakkaat van Verlatinge waren vele zaken nog onduidelijk. Door wie het ‘volk’ dat niet in staat was zelf de soevereiniteit uit te oefenen, structureel gerepresenteerd moest worden, was onderwerp van menig verhit debat in de jaren 80 van de 16e eeuw. Ondanks de verdeeldheid over de vorm waarin soevereiniteit gegoten moest worden, vormden de Nederlanden één stem waar het de roep om erkenning betrof van een individuele en autonome status binnen de hiërarchie van Europese staten. Het Plakkaat van Verlatinge legde de basis voor het leuren met de soevereiniteit over de Nederlanden bij diverse buitenlandse vorsten, alvorens de Nederlanden besloten het heft in eigen hand te nemen. Het Plakkaat van Verlatinge speelde in dit proces geen beslissende rol.

Dit valt te wijten aan drie zaken: het feit dat de Staten-Generaal zich niet beriepen op het Plakkaat, de herhaaldelijke ontkenning van dit document door de Spaanse koning en het feit dat aan ‘papier’ veel minder relevantie werd toegekend in vroegmoderne internationale relaties, dan aan ceremonie. Soevereiniteit werd toegekend door middel van diplomatieke rituelen. Deze rituelen stonden echter open voor ambivalentie. Protoculair eerbetoon was niet in steen gebeiteld, maar volledig afhankelijk van de context.

Als de oorlog met Spanje oplaaide, behandelde Frankrijk de Nederlanden tijdelijk alsof zij soeverein waren. Als Frankrijk en Spanje echter de vredestrompet bliezen, onthielden zij de Nederlanden van deze status. Hetzelfde gold ook voor de Engelse positie ten opzichte van de soevereiniteitskwestie betreffende de Nederlanden. De acceptatie van de Spaanse koning speelde dan ook een belangrijke rol in de erkenning van de Nederlanden. Dit valt echter niet te wijten aan de stelregel dat nieuwe staten enkel erkend werden, met instemming van het desbetreffende staatshoofd, zoals de heer Frowein beargumenteert. Juister lijkt de aanname dat deze stelregel voortvloeit uit het feit dat met de erkenning van de soevereiniteit van de Nederlanden door Filips IV met de Vrede van Münster, een zo breed mogelijke consensus bereikt was betreffende de status van de Nederlanden.

Uit het hierboven betoogde kan opgemaakt worden dat het Plakkaat van Verlatinge noch de constitutionele als de internationale positie van de Nederlanden zeker stelde. Dat de keuze voor een constituerende of een legitimerende interpretatie van het Plakkaat van Verlatinge in wezen echter van een vals dilemma getuigt, laat Blockmans zien. Blockmans stelt dat de Staten-Generaal niets anders konden dan een bestaande situatie te legitimeren. Het Plakkaat van Verlatinge vormde volgens hem de onafwendbare conclusie van de zoektocht naar een nieuwe soeverein. Volgens Blockmans wierpen de Staten-Generaal zich op als beschermers en curatoren van de costumen en privileges van alle provinciën, waarmee de Staten-Generaal een bestaand machtsvacuüm opvulden.
Zijn gebruik van de term ‘legitimering’ wijst erop dat hij het Plakkaat niet enkel ziet als de bevestiging van een bestaande situatie, maar tevens beschouwt als een juridisch document dat een nieuwe juridische toestand creëerde, ook al veranderde de feitelijke situatie nauwelijks.

Alles wel beschouwd kan gezegd worden dat hoewel het Plakkaat van Verlatinge zeker geen duidelijkheid schiep waar het de constitutionele en internationale rechtspositie van de Nederlanden betrof, dit document op zijn minst getuigde van de neerslag van een bestaande politiek-staatkundige situatie in de Nederlanden. Dat deze situatie in grote mate afhankelijk was van het diplomatieke optreden van de Europese grootmachten, deed echter niets af aan het constituerende karakter van het Plakkaat van Verlatinge in de Nederlanden zelf. Ook het feit dat met het Plakkaat van Verlatinge geen wezenlijke verandering kwam in de politiek-staatkundige situatie van de Nederlanden, doet geen afbreuk aan dit karakter. Met de erkenning van de bestaande politiek-staatkundige situatie van de Nederlanden, hoewel veelal slechts op nationaal niveau, werd juridisch namelijk wel degelijk een nieuw pad bewandeld. Het voert echter te ver om met Willem-Alexander te stellen dat het Plakkaat van Verlatinge de geboorteacte vormt van het huidige Nederland.

Veerle de Jong

You may also like

Leave a Comment