Wereldliteratuur: nog een rondje

by Déjà Vu

Charles BukowskiOp de Déjà Vu blog werden onlangs niet- tot weinig drinkende schrijvers geprezen. Terecht, want schrijvers worden überhaupt te weinig geprezen. Maar om ze specifiek uit te lichten omdat ze van de fles af kunnen blijven gaat mij toch een brug te ver. Ik voel me geroepen een boom (nee, een sequoia!) op te zetten ten behoeve van het gilde voor dronken schrijvers en daarmee hun loftrompet te schallen.

door Arnout le Clercq Schrijven en dronkenschap zijn innig verweven. Een culturele associatie waarvan de algemene verspreiding en aanname intrigeert. Olivia Laing schreef er recent een boek over, The Trip to Echo Spring: Why Writers Drink. Hierin kijkt ze naar zes schrijvers: F. Scott Fitzgerald, Ernest Hemingway, Tennessee Williams, John Berryman, John Cheever en Raymond Carver. Ze gaat op zoek naar de reden van hun drankzucht en de invloed daarvan op hun werk en omgeving. Recensies zijn wisselend, maar prijzen vooral de grote collectie smeuïge verhalen over de dronken avonturen van deze doldwaze literaire reuzen. In de conclusie prevaleert de moraliserende vinger, waarbij we volgens Laing goed moeten onthouden dat deze schrijvers hebben weten te presteren ondanks de alcohol, en niet dankzij. Dit heeft wellicht met Laing zelf te maken: ze groeide op in een familie van alcoholisten. Ernest Hemingway zou het waarschijnlijk simpelweg toeschrijven aan het feit dat ze een vrouw is.

 Het vraagstuk ‘ondanks of dankzij?’ is in zekere mate de crux van de kwestie der drinkende schrijvers. William Faulkner zei niet te drinken om inspiratie op te doen, maar simpelweg om het leven aan te kunnen. Kurt Vonnegut schreef in Palm Sunday dat hij altijd nuchter was tijdens het schrijven, maar zich daarbuiten graag eens volgoot en dronken bij zijn vrouw in bed kroop, ‘smelling of roses and mustard gas’. Hemingway, een grootgebruiker, zei: ‘write drunk, edit sober’ (hoewel een wijsneus op reddit ons vertelt dat dit citaat eigenlijk van Peter de Vries is, een Amerikaanse schrijver. Niet de beunhaas van tv). Het lijkt dus af te hangen van de schrijver zelf of drank inspireert. Soms zet alcoholverslaving aan tot boeken over het onderwerp: Jack Kerouacs Big Sur gaat onder meer over zijn worsteling met alcohol en William S. Burroughs heeft over zijn alcohol- en drugsverslaving The Naked Lunch en Junky geschreven. Zo kunnen we nog wel even doorgaan. Maar wie is de absolute tegenpool van de gestileerde levensstijlen van Mann en Murakami? Wie zuipt zo ongehoord veel dat in vergelijking met hem Ernest Hemingway een laffe borrelaar is? Dames en heren, Charles Bukowski. Het gedicht Soirée:

“in the cupboard sits my bottle
like a dwarf waiting to scratch out my prayers.
I drink and cough like some idiot at a symphony,
sunlight and maddened birds are everywhere,
the phone rings gamboling its sound
against the odds of the crooked sea;
I drink deeply and evenly now,
I drink to paradise
and death
and the lie of love.”

 Niet gek voor iemand die slechts bij wijze van hoge uitzondering nuchter was, toch? Het leven van Bukowski was een volledige chaos, een aaneenschakeling van drank, vrouwen en nog meer drank. Zijn verhalen vertellen de lotgevallen van zijn alter ego Henry Chinaski, die in het aardse tranendal dikwijls van de regen in de drup geraakt; zijn gedichten zijn compromisloos, hard en breekbaar. Vaak wordt hij weggezet als pulp. Mensen die dat doen mogen van mij in het bos gaan schijten. Bukowski is overigens een treffend voorbeeld van een schrijver die zowel ondanks als dankzij de drank lijkt te schrijven.

 Iedereen weet dat teveel alcohol slecht voor je is en mensen kapot kan maken. Drank is een hoer die wanneer je wakker wordt je geld heeft gestolen. Waarom predik ik hier dan de zonde? Om de nadruk te leggen op de geweldige literaire prestaties van schrijvers die wel (veel) drinken. Wanneer we asceten gaan prijzen om hun functioneren, kunnen we net zo goed meteen allemaal mormonen worden.

 Arnout le Clercq

You may also like

Leave a Comment